Titel

            HOME                NIEUWS                BOEKEN                 OVER DE AUTEUR               CURSIEFJES             CONTACT             LINKS              Face     Twit     YT  


Cursiefjes

- Passage
- Complementjes
- Open brief
- Digitale DNA
- Vermist, gekist, vergist
- Laatste gedachten (gedicht)
- Coke-cooning



COKE-COONING (proloog Coke in voorraad)

Aan het aantal decibels te horen, zat de stemming er al aardig in toen ik met mijn vrouw de woonkamer binnentrad. Het salongedeelte van de grote ruimte was druk bevolkt.
‘Aha, daar zijn jullie’, riep mijn collega van de universiteit terwijl hij naar ons toekwam. Hij draaide zich om en riep de anderen. Hij stelde mij voor als zijn collega, een fysicus met zijn echtgenote.
Handen werden geschud en namen en beroepen werden uitgewisseld. We kregen een plaats aangewezen op een grote hoekzitbank.
‘Wat mag het zijn?’, vroeg mijn collega met een drinkbeweging.
‘Voor mij een gin-tonic, graag’, antwoordde mijn vrouw, waarna ik een whisky zonder ijs vroeg.
Onze drankjes kwamen snel. Ik proefde van mijn glas. Een milde whisky met een fruitige smaak. Ik vermoedde een twaalf jaar oude Glenfiddich of iets in dat genre. Later zag ik mijn vermoeden bevestigd door de typische Glenlivetfles die op de bar stond.
Ik zat er wat onwennig bij, terwijl mijn vrouw al gauw een gesprek had aangeknoopt met haar buurvrouw. De uitnodiging was onverwacht gekomen. Mijn collega wilde me uit mijn ivoren toren losweken en meer onder mensen van diverse pluimage laten komen. Ik bestudeerde het gezelschap. Het zag er op het eerste gezicht een gezellige bende uit. Ze waren tamelijk sportief gekleed en lichamelijk van diverse grootte en breedte. Er waren zeven mannen, veertigers en vijftigers, schatte ik, en zeven vrouwen van meer uiteenlopende leeftijden. Door de diverse beroepen leek het gezelschap op een mini serviceclub. De gesprekken liepen door elkaar.
Ik hoorde iemand naast mij vragen: ‘Hoe heb je dit huis gevonden?’
‘Ik ken dit huis en zijn eigenaar al lang. De verkoop van dit pand is ooit in mijn studie gepasseerd. Je kan dit hier huren voor een dag, een week, een maand, zo kort of zo lang je maar wil’, antwoordde de notaris met een nonchalante air.
Ik kon de bankfiliaalhouder, drie plaatsen verder, horen vertellen dat het nettoresultaat van Inbev voor het tweede jaar na elkaar gedaald was zodat het niet opportuun was om nu aandelen te kopen. Het ging verder nog over Mittal-Arcelor, maar ik werd onderbroken door mijn buurman die plots zei: ‘Zo, en jij bent een vieze kus.’ Hij lachte luid.
‘Jawel, maar dat is al een ouwe’, zei ik en glimlachte fijntjes.
‘Ik ben rechter en dit hier is een procureur’, zei hij terwijl hij de man naast hem uit zijn gesprek haalde en hem omarmde.
‘Aangenaam’, zei ik kort.
‘In de rechtbank ben ik de regisseur en hij verdeelt de rollen, twee in elk toilet’, zei hij en schaterde het uit.
De procureur liet een cynisch ‘hahaha’ horen en draaide zijn hoofd terug naar de dames met wie hij in gesprek was.
Wat een verwaande, boertige kwast. En dat voor een rechter. Ik wou opstaan en ergens anders gaan zitten. Maar dat leek me onbeleefd en mijn echtgenote, die gezellig aan het keuvelen was met haar buurvrouw, had graag dat ik in haar buurt bleef.
Aan de andere kant van de zitbank riep er iemand plots luidkeels: ‘Zwijg, dat gebouw heeft mij aan de rand van het faillissement gebracht.’
De gesprekken stokten en alle hoofden draaiden simultaan in de richting van de aannemer.
‘Komt ervan als je net voor belangrijke beslissingen niet even aan de coke zit’, brak iemand de stilte.
‘Nu je over coke spreekt, dokter. Wordt het niet stilaan tijd?’, vroeg de advocaat.
‘Wie trakteert eerst?’, vroeg de rechter.
‘Ik zal het ijs breken’, zei de aannemer. ‘Hier heb je twee zakjes’, zei hij en smeet twee plastic minizakjes op de salontafel.
‘Hoe is het mogelijk. Dit zijn snowsealtjes. Wanneer ga je dat nu leren?’, zei de advocaat spottend.
Potvolkoffie, snowzeeltjes of wat dan ook, als het spul maar van goede kwaliteit is. Dat is wat telt.’
De notaris riep zijn vrouw toe: ‘Lieve, breng de schaaltjes.’
Een dame met een klassiek kapsel stond op en liep naar de keuken. Ze kwam terug met twee blinkende roestvrije schaaltjes en gaf ze aan de procureur. Die ging op zijn knieën voor de lange lage salontafel zitten, als ’t ware in een ceremoniële houding voor wat komen zou. Iedereen keek stil toe. Hij pakte een sealtje, trok het voorzichtig open en deponeerde de inhoud op een schaaltje. Met iets dat op een scheermesje leek, hakte hij het witte poeder nog wat fijn en verdeelde het daarna minutieus over tien gelijke lijntjes, twee aan twee, die hij nog eens netjes uitlijnde. Hij was als een kok die een bord prepareerde. Hij herhaalde het protocol met het tweede sealtje op het andere schaaltje. Vervolgens opende hij een sigarettenkistje en nam er een aantal dunne rolletjes van wit glanzend hardboard uit. Dat viel mij tegen. Ik had verwacht dat de portefeuilles zouden opengaan en groene biljetten van honderd euro zouden verschijnen om er een rolletje van te maken. Zo had ik het altijd gezien in films. Daar klaarden ze deze klus met een honderd dollarbiljet.
De rechter had de eer de zitting te openen. Hij snoof gulzig twee lijntjes op, kneep opeenvolgend elk neusgat dicht terwijl hij telkens nog eens hard snoof. Hij gaf het schaaltje door aan de procureur. Ik bestudeerde het gezelschap nauwgezet. Ik zag telkens de lijntjes verdwijnen, nog even snuivend aan de neus vingeren. Dan veranderden de gezichten. Gelukzalige blikken, de mondhoeken lichtjes naar beneden als teken van stijgend zelfvertrouwen. Het viel mij op dat slechts twee vrouwen aan de ceremonie deelnamen en allebei minder openlijk reageerden. Plots belandde een schaaltje voor mijn neus. Er lagen nog slechts twee lijntjes op. Ik was blijkbaar de laatste en iedereen keek afwachtend naar mij. Mijn vrouw wierp me een argwanende blik toe.
‘Zou jij dat wel doen? Je zit al regelmatig aan de Avamys met je neusproblemen.’
Die blikken. Ik maakte die avond deel uit van dit exquise gezelschap en mocht geen zwakheid tonen. Ik moest mijn mannetje staan. Doen dus. Nu of nooit. Ik haalde diep adem alsof ik mij voorbereidde op een duik in het diepe. Ik blies de adem uit en snoof een lijntje op. Zonder aarzelen liet ik het tweede lijntje in mijn andere neusgat verdwijnen. Met de rug van mijn hand wreef ik mijn neus af. Afgaande op de samengetrokken gezichten van de mannen was dat compleet fout.
De kamer werd ineens helderder. Ik voelde mij super in mijn vel. Mijn vrouw keek nog altijd afwijzend. Ik pakte haar stevig vast en gaf haar een kus. Hoe kan je zo kijken, het leven is toch mooi, niet? Had ik dat nu gezegd of gedacht? Het geroezemoes van het gezelschap vervaagde. Ik stond daarboven. Ik stond recht. Iedereen zweeg en keek naar mij. Ik bekeek de toehoorders een na een met wat moest doorgaan voor een energieke blik. Dan vertelde ik
hoe je een olifant kon vangen met een Grieks-Latijns woordenboek, een verrekijker, een pincet en een luciferdoosje …



© Bert Bergs, 2016


Een gedicht. Waarom niet?


LAATSTE GEDACHTEN

Wat was gisteren

zo belangrijk,
dat ik het vandaag
al vergeten ben.
 
Hoe zal ik morgen
dan nog weten
wat ik nu schrijf.
 
Mijn gedachten kronkelen
als een beekje,
dat zijn weg zoekt
naar de rivier van dementie,
 
en uiteindelijk naar
de zee van
gedachteloosheid.
 
© Bert Bergs, 2014



VERMIST, GEKIST, VERGIST...

Spitsbogen. Alle vensters hadden de vorm van gotische spitsbogen. De ramen zelf bestonden uit onregelmatig geplaatste, rechthoekige vlakken gekleurd glas, waardoor die Mondriaans overkwamen. De zon projecteerde de diverse kleuren op de zwarte leistenen vloer en op de bleke eiken kist die door vier man werd gedragen en langzaam naar voren schreed. De kist werd voorafgegaan door de priester en twee dienaars en gevolgd door Lydia en Gina, samen met enkele familieleden die Lydia zelfs niet eens kende. De kist werd neergezet, begroet en gezegend door de priester. Daarna ging iedereen zitten. De priester heette de aanwezigen welkom. Hij ging zelf zitten terwijl Bist du bei mir weerklonk, gezongen door een vrouwenstem en begeleid door het orgel.

De priester stond op, ging naar de lezenaar, spreidde zijn armen en zei: ‘Broers en zusters, wij weten dat God, die de Heer Jezus uit de dood heeft opgewekt, ook ons tot leven zal wekken om ons tot Zich te voeren. Wij geven daarom de moed niet op. Al gaan wij ook uiterlijk gezien ten onder, innerlijk worden wij van dag tot dag een nieuwe mens. Wij houden onze ogen gericht, niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare.’

Het onzichtbare waar Gert naartoe ging interesseerde Lydia niet. Voor haar was het onzichtbare wat er was gebeurd. Waarom had Gert niet van zich laten horen? Hoe was hij aan zijn einde gekomen? Hoe kwam hij daar in die kist? Terwijl de mis vorderde gingen haar gedachten volledig op in de vragen die ze al maandenlang had gesteld. Plots stond Gina op en ging naar voren. Ze nam een papier uit de binnenzak van haar gele colbert, vouwde het open en las voor. Het ging over vake alhier en vake aldaar, haar uitgesproken speelkameraad. Lydia kon moeilijk een afkeurende blik verbergen. Na een resem gebeden, die aan Lydia grotendeels voorbij was gegaan, kwam de lijkbidder naar haar toe en vroeg haar voor de offerande. Lydia stond op, ging omheen de kist, die ze groette. Ze legde vervolgens haar hand op het kruis dat door de priester werd voorgehouden en nam het bidprentje aan. Zij ging weer zitten en bekeek het prentje. De foto op het prentje was Gert niet. Nee, dat was Gert niet. Wie had zich hier vergist? Was zij in de verkeerde kerk? Op een andere begrafenis? En dan weerklonk een lach van Gina, steeds luider en sterker galmend. Lydia schoot wakker. Nee, het was geen nachtmerrie, maar de zoveelste droom die ze had meegemaakt in de schemerzone tussen slapen en waken. 

© Bert Bergs, december 2014 (fragment uit Het Pi-algoritme)



DIGITALE DNA

Wie ben ik?

Ik ben een nummer, een getal van elf cijfers opgeslagen in een databank, rijksregister genoemd. Vroeger was dat een genummerde fiche, die gevuld was met zwarte, soms onregelmatige geschikte letters van een Remington en die verder verwees naar andere fiches of mappen met fiches op andere plaatsen. Nu ben ik omgezet in nullen en enen. Ik ben een digitaal DNA geworden, een soort Digitaal Numeriek Adres dat mij als individu onderscheidt van andere individuen. Aan dat DNA zijn dan weer nullen en enen verbonden, die vertellen wat ik ben, hoe ik ben, wat ik doe en gedaan heb en ook aan welke andere digitaal DNA’s ik gekoppeld ben.

Wat bezit ik?

Ik bezit de klassieke behoefte: geld. Nee, niet onder de vorm van metaal of papier in een kous, kookpot, kast of kluis, maar ergens op een databank, omgezet in nullen en enen op een plaats die ook bepaald wordt door nullen en enen. Allemaal reusachtige getallen, veel langer dan het geldbedrag dat ik voor ogen heb. Mijn geld is dus uiteindelijk ook een digitaal DNA geworden.

Wat lees ik?

Ik lees wel degelijk gedrukte teksten, maar die voortgesproten zijn uit nullen en enen en die mededelen wat anderen hebben verteld, meestal gecommuniceerd of verstuurd met nullen en enen. Alle ‘waarheid’ blijkt voortaan vervat te zijn in nullen en enen, in digitale DNA’s.

Wat zie ik?

Een hele wereld die bepaald, gestuurd en geregeerd wordt door stuurprogramma’s en procesoren die stoeien met de nullen en enen in chips, sticks en disks, waarbij ik al de mogelijkheden in deze realiteit aan de fantasie van de lezer overlaat.

En wat als een digitale geneticus in staat is al die DNA’s ongevraagd te manipuleren?

© Bert Bergs, 1 augustus 2014

 
OPEN BRIEF

Dag mijnheer Vandenbroucke,
Beste Chris,
 
Langs dit kanaal wens ik mijn dank te betuigen voor het mooie stukje proza dat u over mijn boek in Biblion, of beter, in de Boekensalon hebt neergeschreven; een verhaaltje van 13 lijntjes, wat door sommigen de ultieme recensie wordt genoemd.
 
Het eerste deel ervan beschrijft in zeven lijntjes (en vooral vanaf regel 5) op een vakkundig manier hoe het boek inhoudelijk NIET in mekaar zit en dat verheugt mij ten zeerste omdat u waarschijnlijk een werk hebt gelezen, waarvan het verhaal maar ten dele gelijkt op het mijne. Echter kende uw verhaal waarschijnlijk niet die belangrijke pointe; namelijk hoe een zaak in een corrupt land politiek opgelost wordt in plaats van politioneel.
 
Ik citeer:  de plaatselijke maffia heeft de regering in de zak om het onderzoek te boycotten
In mijn boek zie ik gelukkig nergens expliciet de regering ter sprake komen en evenmin de maffia het onderzoek boycotten, behalve naar het einde toe waar, omgekeerd, de nieuwe regering de maffia in de zak heeft, om het met uw liederlijke bewoordingen te stellen.
 
Ik citeer verder: ‘…en zodra ze horen van de nieuwsgierige Belg elimineren ze alle losse eindjes uit het verleden, zowel in Gent als in hun thuisland.’
Was er in mijn boek geen sprake van een reeks moorden op de familie Radev al lang voor de nieuwsgierige Belg zich ermee ging bemoeien? Ja, gelukkig wel.
 
Maar in uw boek draait blijkbaar alles om een zekere Ackien en niet om Ackein.
 
En dan volgt het verdict. Wil de schuldige even opstaan.
 
Ik citeer:  vlot verhaal dat uitgaat van een niet bijster originele uitgangspositie.’
Een prachtige zin die aantoont hoe ooit maar een mogelijke kwaliteit onmiddellijk kan overschaduwd worden door een negatieve opmerking. Ik zou het niet beter kunnen. Zo hoort het! U had ook het woord ‘maar’ kunnen gebruiken zoals verder in de tekst, maar ik moet met een tomeloze bewondering toegeven dat deze ongenuanceerde uitspraak zijn doel ten volle heeft bereikt. Bravo.
 
Ik citeer verder: ‘De couleur locale van Bulgarije, een land waar de auteur duidelijk een band mee heeft, is treffend beschreven maar de Gentse connectie mocht iets meer uitgewerkt zijn.
Wat staat die ‘maar’ hier toch prachtig. Het mist zeker het effect van ‘vergeet al wat er voor staat’ niet.
Is het woord ‘treffend’ niet iets te veel contrasterend, te gunstig? Ik zou gewoon maar ‘goed’ hebben geschreven. Maar, ja, er is kennelijk een symptoom van goede wil opgeborreld. Spijtig!
 
Ik citeer nog verder: ‘Op alle gebied nogal vlak, zowel wat personages, taal en stijl als spanning betreft.
Dat was het, ja, dat was het! De doodslag. Het kon niet beter. Dat moest het zijn. Uw verhaal is een thriller op zichzelf. Nu begrijp ik het woord ‘treffend’ beter in die context. Het stukje proza moest even een spanningsboog bevatten.
 
En dan nog: ‘De ontknoping kon ook maar matig bevredigen.’
Voilà. Om zeker te zijn, er nog even op kloppen. Nu is ie zeker dood. Vermoord. Amen en uit.
 
Schitterend, hoe iemand met een avondje diagonaal lezen en vervolgens een leuk krabbeltje van dertien regeltjes neer te zetten, het maandenlange werk van iemand anders zonder mededogen kan kapotmaken. De perfecte moord. En waarschijnlijk nog goed betaald ook. Bij een moord is de hamvraag altijd: zijn er onderliggende frustraties die tot een dergelijke ongenuanceerde daad aanzetten?
 
Mijnheer Vandenbroucke, Ik heb voor u alle achting en temeer omdat dit toneelstuk zich heeft afgespeeld op Nederlandse bodem. Het illustreert de krachtdadige solidariteit tussen de Vlamingen. Het spijt me oprecht dat mijn lezerspubliek u moet tegenspreken, maar dat zijn waarschijnlijk andere Vlamingen, misschien ongeletterde allochtonen, godweet. En de Nederlanders? Ter illustratie van uw potentie heb ik nog een prentje in bijlage. Het zal ongetwijfeld uw ego strelen en heeft vanzelfsprekend mijn bewondering aangewakkerd voor uw genadeloos kunnen.
 
Graag, wanneer de mogelijkheid zich voordoet, tot wederdienst bereid.
Met eerbare groeten,

© Bert Bergs, 28 april 2014

Addendum
Dat Mijnheer Chris Vandenbroucke niet vies is van ondeskundige vuilspuwerij kunnen we ook afleiden uit zijn recensie van 'Morgenster'  van Wim Menheer.
Vergelijk zijn recensie,
http://www.deboekensalon.nl/boek/morgenster-3
met deze van de lezers, https://www.hebban.nl/boeken/morgenster-wim-menheer (en Cees van Rhienen is niet de minste)

Tja, het is zoals hij
over zijn recensies op zijn website (http://www.chrisvdb.be) schrijft: 'Die extra-inkomsten gebruik ik om op heel beperkte schaal moderne kunst te zoeken (kubisme, suprematism, Cobra) en verzamel ik Vlaams vinyl.' ... en dat kost geld!


COMPLIMENTJES

Ze zaten met elf aan tafel, waaronder vier gerenommeerde misdaadauteurs. Trouwens, de overigen hadden ook heel wat spannends op papier gepresteerd. Behalve één iemand, Joris. Hij had zichzelf uitgenodigd als kersvers lid van de auteursvereniging, maar toen hij zag wie daar allemaal aan tafel zat, voelde hij zich klein, zeer klein. Wie was hij? Iemand die eventjes zijn criminal mind op papier had ontvouwd en hoopte dat hier en daar een lezer het einde zou halen van zijn eerste boek, dat hij in eigen beheer had uitgegeven. Joris zei weinig en wou zich absoluut niet profileren in dat exquise gezelschap. Diegene die links naast hem zat, –laten we hem voor de eenvoud Dirk noemen– had weer een nieuw boek geschreven dat net was uitgegeven. Het werk had reeds zeer lovenswaardige kritieken gekregen waardoor die man stilaan zijn plaats zou weten te veroveren naast de vier eerder aangehaalde sterauteurs.
De diverse schotels werden vlot na elkaar opgediend. Op een flesje wijn werd niet gekeken. Dirk wist regelmatig de glazen en vooral de zijne te vullen, terwijl Joris voortdurend zijn glas met de hand moest afdekken omdat hij nog een eindje moest rijden. De tafelgesprekken schenen bij dergelijke samenkomsten altijd hetzelfde stramien te hebben: klachten over de uitgevers, die alleen maar oog hadden voor kookboeken, breiboeken en schrijfsels van auteurs, liefst BV's, die weinig te maken hadden met literatuur; klachten over de boekhandels, die te veel de buitenlandse misdaadromans etaleerden ten opzichte van werk van eigen bodem, enz.
Zonder aanleiding vroeg Dirk opeens: ‘Wie ben jij?’
Joris trok zijn hoofd in tussen de schouders alsof er in zijn onmiddellijke omgeving een bom ontplofte.
 Voorzichtig zei hij: ‘Ik ben Joris Vercammen.’
‘Uw boeken?’
‘Ik heb net mijn eerste boek uit: Het ijzeren zwaard.’  
‘O ja? Is dat boek van jou?’
Joris wist niet goed wat deze vraag verder zou inhouden en antwoordde bijna onhoorbaar: ‘Jawel.’
‘Maar dat boek is prachtig’, zei Dirk luid waardoor de tafelgesprekken ineens ophielden.
Joris’ hoofd nam langzaam weer de normale hoogte tussen zijn schouders aan.
‘Is dat zo?’, bracht Joris voorzichtig uit.
‘Ja, man, jij hebt talent zeg!’
Joris wou nog vragen ‘Meen je dat?’, maar vond dat hij nu in zichzelf moest geloven en antwoordde zo neutraal mogelijk: ‘Ja.’
‘Verdomd een goed verhaal en een fantastische ontknoping’, wist Dirk nog toe te voegen.
Terwijl alle gezichten van zijn tafelgenoten met de glimlach naar hem keken, beaamde Joris dit weer met een korte: ‘Ja.’
‘Doe zo voort, man’, zei Dirk nog en draaide zijn hoofd weer naar het gezelschap.
De tafelgesprekken gingen weer door. Joris was in gedachten verzonken en hoorde nog nauwelijks wat er werd gezegd. De complimentjes van Dirk deden hem uitermate deugd. De avond kon niet meer stuk. Hij was toch blijkbaar een goede schrijver. Hijzelf en zijn werk waren nu aanvaard door de grote heren. Morgen zou hij aan zijn tweede boek beginnen.
Het was tijd. Iedereen stond op. Ze gaven elkaar de hand met een ‘tot ziens’ of  ‘tot de volgende keer.’
Joris liep naar de vestiaire, deed zijn regenjas aan. Net voor hij aan de deur kwam hoorde hij achter de jassen iemand zeggen: ‘Dirk was vanavond weer goed aangeschoten.’ En iemand anders zei: ‘Ja, en dan speelt hij altijd dat vervelend spelletje met het tegenovergestelde te zeggen van wat hij werkelijk meent.’
Joris’ hoofd zakte weer tussen zijn schouders. Hij zette zijn kraag van zijn regenjas recht en verdween in de natte nacht.
 
© Bert Bergs, 15 november 2013
 


PASSAGE

Luk zat aan een tafeltje bedekt met een wit tafelkleedje. Hij keek voor zich uit en observeerde het voetvolk dat langzaam voorbij schreed. Dat deed hij dikwijls samen met Lutgarde. Van op een terrasje turen naar het passerend volkje. Het was dan een eenrichtingsverkeer in hun blikken. Zij bekeken de passanten, maar het omgekeerde mocht liefst niet. Ze konden dan als tijdverdrijf commentaar geven op al wie niet voldeed aan de conservatieve esthetische normen die ze voor zichzelf hadden vastgelegd.
‘Zie je die daar met dat verticaal gestreept kleedje? Ze is al zo mager.’
‘Moet je die groeven in dat gezicht eens zien, precies de Grand Canyon. Die oude heks kleedt zich alsof ze twintig is met dat rokje een flink stuk boven de knie.’
‘Dat vestje en die broek hebben nu toch ook kleuren die niet samengaan, wel?’
‘Dat jonge fastfood-meisje daar, met haar uit de kluiten gewassen achterwerk; bijna niet te geloven dat er jeans in die maten bestaan.’
‘Hoe is ’t mogelijk, zo jong en zo dik. Wat zal dat worden op latere leeftijd?’
‘Kijk es, die mijnheer daar met dat donker jasje; gelijkt sterk op onze nonkel Fons.’
‘Ja, maar zijn kapsel is anders.’
‘Het is duidelijk een pruik. Kijk maar, zijn echte haar die er onderaan uitsteekt heeft een andere tint. En dan die artificiële scheiding, die geen hoofdhuid laat zien.’
‘Zie die daar op haar hoge hakken. Ze loopt precies op eieren.’
‘Ja, schijnt slecht te zijn voor de rug.’
‘Dat mens daar is ook serieus geschminkt. Kijk eens naar haar ogen. Ze komt net uit de kolenkelder.’
En al dat commentaar werd gekruid met een neusreutel als het wat komisch was en als de tegenstelling met hun eigen visie te grof was, met een  afkeurende ‘maar’ dat kortweg als 'moa' werd uitgesproken.
Nu was het evenwel anders. Totaal anders…
Luk zat er zonder zijn vrouw. Links naast hem zat een jonge heer en rechts een al wat oudere dame, elk aan zo’n tafeltje bedekt met een wit tafelkleedje. Alle drie observeerden zij het volk dat voor hen passeerde en dat ietwat reikhalzend uitkeek naar het gebeuren een eindje verder.
Hoewel nogal wat mensen van uiteenlopende pluimage de revue passeerden, had Luk geen zin om daarover maar iets op te merken in zijn gedachten. Nee, hij wou nu eerder dat de passanten naar hem keken, dat zij aandacht voor hem zouden hebben. In tegenstelling tot de keuring van op een terrasje, moesten de blikken nu in beide richtingen gaan. Hij verlangde hevig dat regelmatig uit de mensenstroom iemand naar hem zou komen, zich op de stoel voor hem zou zetten en een blijk van interesse zou tonen.  Ja, ze mocht te dik of te mager zijn. Ja, het mocht iemand zijn wiens jas qua kleur niet paste bij zijn broek. Ja, ze mocht overdreven geschminkt zijn of iemand met een gezicht waarin diverse zijrivieren van de Colorado hun weg hadden gebaand. Daarover zou hij absoluut geen commentaar bedenken. Maar, in de twee uur dat hij daar zat beperkte de interesse in zijn richting zich tot af en toe iemand, die slechts een kortstondige blik wierp naar het kaartje op de tafel waarop zijn naam gedrukt stond en dat blijkbaar weinigzeggend was.
Hij stond op en zuchtte. Dat was nu eenmaal het lot als je boek niet aanvangt met Ingrediënten voor vier personen, dacht hij. Volgend jaar beter. Gelaten verliet hij de Boekenbeurs.

© Bert Bergs, 9 november 2013






silh